7
Het christendom wordt de religie van het medelijden genoemd.–Het medelijden is tegengesteld aan de tonische affecten die de energie van het levensgevoel vermeerderen: het werkt deprimerend. Door mee te lijden verliest met aan kracht. Het medelijden vergroot en vermenigvuldigt nog de krachtsvermindering welke het lijden op zich al aan het leven berokkent. Het lijden zelf wordt door het medelijden besmettelijk; onder bepaalde omstandigheden kan er een totalve vermindering aan leven en levensenergie door bereikt worden die in een absurde verhouding staat tot het kwantum van de oorzaak (–het geval van de door van de Nazarener–). Dat is het eerste gezichtspunt; maar er is nog een belangrijker. Gesteld dat het medelijden afgemeten wordt naar de waarde van de reacties die het pleegt op te roepen, dan komt het levensgevaarlijke karakter ervan in een nog veel schriller licht te staan. Het medelijden doorkruist in algemene zin de wet van de onwikkeling, die de wet van de selectie is. Het houdt in stand wat rijp is voor de ondergang, het komt op voor de onterfden en veroordeelden van het leven, het verleent door de overvloed van allerlei mislukkingen, die het in het leven vasthoudt, het leven zelf een een duister en problematisch aspect. Men heeft het medelijden een deugd durven noemen (–in elke voorname moraal geldt het als zwakheid–); men is nog verder gegaan, men heeft er de deugd van gemaakt, de grondslag en oorsprong van alle deugden,–zij het slechts, en dit dienen wij voortdurend in het oog te houden, vanuit het gezichtspunt van een filosofie die nihilistisch was, die de ontkenning van het leven in haar vaandel had geschreven. Op dit punt had Schopenhauer gelijk aan zijn zijde: door het medelijden wordt het leven ontkend, ontkenningswaardiger gemaakt – medelijden is het nihilisme in de praktijk. Nogmaals: dit depressieve en contagieuze instinkt doorkruist die instincten die uit zijn op behoud en opwaardering van het leven: het is als vermenigvuldiger van de ellende én als conservator van al het ellendige een van de belangrijkste werktuigen tot het opvoeren van de decadentie – medelijden haalt over tot het niets! Niet dat men echt van het ‘niets’ spreekt: in plaats daarvan zegt men ‘het bovenzinnelijke’, of ‘God’, of ‘het ware leven’, nirwana, verlossing, zaligheid... Deze onschuldige retoriek uit het rijk van de religieus-morele idiosyncrasie ziet er meteen veel minder onschuldig uit als men inziet werlke tendens zich hier hult in de mantel van sublieme woorden: de tendens van vijandschap jegens het leven. Schopenhauer stond vijandig tegenover het leven: daarom werd het medelijden voor hem een deugd... Aristoteles2 zag, zoals bekend, het medelijden als een zieklijke en gevaarlijke toestand waar emn nog het best vat op kreeg door af en toe een purgeermiddel in te nemen: hij beschouwde de tragedie als purgeermiddel. Vanuit het levensinstinct gedacht zou men inderdaad moeten zoeken naar een middel om een dergelijke ziekelijke en gevaarlijke opeenhoping van medelijden, zoals vertegenwoordigd door het geval Schopenhauer (en helaas evenzeer door ons voltallig literair en artistiek decadentendom van Sint-Petersburg tot Parijs, van Tolstoj tot Wagner), een steek toe te brengen: opdat ze openbarst... Bij al onze ongezonde moderniteit is niets ongezonder dan het christelijke medelijden. Hier arts te zijn, hier onverbiddelijk te zijn, hier het mes te hanteren – dat is onze rol, dat is ons soort mensenliefde, dat maakt ons tot filosofen, ons Hyperboreeers!---
17
Waar de wil tot macht in enigerlei vorm in verval raakt, daar treedt telkens ook een fysiologische aftakeling op, een decadentie. De godheid van de decadentie, besneden aan haar mannelijkste deugden en drijfveren, wordt dan onvermijdelijk de god van de in fysiologisch opzicht afgetakelden, van de zwakken. Maar zij noemen zichzelf niet de zwakken, zij noemen zichtzelf ‘de goeden’... Er is geen nadere uitleg voor nodig om te begrijpen op welke historische ogenblikken de dualistische fictie van een goede en kwade god mogelijk wordt. Met hetzelfde instinct waarmee de onderworpenen hun god omlaaghalen tot het ‘goede op zich’, schrappen zij de goede eigenschappen uit de dog van hun overwinnaars; zij nemenwraak op hun meesters door van hún god een duivel te maken.–De goede god, evenzeer als de duivel: allebij misgeboorten van de decadentie.–Hoe is het mogelijk dat men vandaag de dag nog zo ver meegaat met de simpelheid der christelijke theologen dat men met hen decreteert dat de ontwikkeling van het godsbegrip van de ‘God van Israël’, van de volksgod, tot de christelijke God, tot de God die al het goede in zich verenigt, een vooruitgang zou zijn?–Maar zelfs Renan doet dit. Alsof Renan6 recht had op simpelheid!! Het tegendeel springt toch in het oog! Als de voorwaarden tot een stijgende lijn in het leven, als al het sterke, dappere, heerszuchtige, trotse uit het geodsbegrip geëlimineerd wordt, als hij stap voor stap afzakt tot het symbool van de stut voor vermoeiden, een reddingsboei voor alle drenkelingen, als hij de armeluisgod, een god van zondaren en zieken par excellence wordt en het predikaat ‘Heiland’, ‘Verlosser’ als het ware overblijft als het goddelijke predikaat zonder meer: waarvan getuigt dan een dergelijke gedaanteverandering, een dergelijke reductie van het goddelijke?–Zeker, ‘het rijk Gods’ is daarmee wel groter geworden. Voorheen had hij alleen maar zijn volk, zijn ‘uitverkoren’ volk. Intussen is hij, net als zijn volk zelf op stap gegaan, gaan rondzwerven in den vreemde, en sindsdien heeft hij nooit meer ergens stilgezeten: tot hij zich uiteindelijk overal thuis voelde, de grote kosmopoliet,–tot hij de ‘meerderheid’ en de halve aarde voor zich gewonnen had. [...]
25
[...] Maar wat gebeurde? Het godsbegrip dat op hem betrekking had werd gewijzigd, ontnatuurlijkt: dat was de prijs om hem vast te kunnen houden.–Jahweh de God van de ‘gerechtigheid’,–niet langer een eenheid met Israël, een uiting van het gevoel van eigenwaarde bij het volk: nog slechts een God onder voorwaarden... Het godsbegrip werd een werktuig in de handen van priesterlijke agitatoren, die voortaan alle geluk interpreteren als beloning, alle ongeluk als straf voor ongehoorzaamheid aan God, voor de ‘zonde’: die allerleugenachtigste wijze van interpreteren van een zogenaamd ‘zedelijke wereldorde’, waarmee het natuurbegrip ‘oorzaak’ en ‘gevolg’ eens en voor al op de kop is gezet. Wanneer men eerst, met loon en straf, de natuurlijke causaliteit uit de wereld geholpen heeft, krijgt men behoefte aan een tegennatuurlijke causaliteit: de hele overige onnatuurlijkheid volgt dan vanzelf. Een God die eisen stelt – in plaats van een God die helpt, die raad weet, die eigenlijk het woord is voor elke gelukkige inspiratie van moed en zelfvertrouwen... De moraal, niet langer de uitdrukking van levens- en groeivoorwaarden van een volk, niet langer zijn diepste levensinstinct, maar abstract geworden, tegendeel van het leven geworden,– moraal als fundamentele bederver van de fantasie, als het ‘boze oog’ voor alle dingen. Wat is nu de joodse, wat is de christelijke moraal? Het toeval van zijn onschuld beroofd; het ongeluk met het begrip ‘zonde’ bezoedeld; het welbehagen als gevaar, als ‘bekorin’; het fysiologische onbehagen vergiftigd met de worm van het geweten...
43
Als men het zwaartepunt van het leven niet in het leven legt, maar verlegt naar het 'hiernamaals' - naar het niets - dan heeft men aan het leven elk gewicht ontnomen. De grote leugen van de persoonlijke onsterfelijkheid doet alle rede, alle natuur in het instinct teniet,- alles wat aan de instincten weldadig is, roept voortaan wantrouwen op. Zo te leven dat het geen zin meer heeft te leven, dat wordt nu de 'zin' van het leven... Waartoe gemeenschapszin, waartoe nog dankbaarheid voor afkomst en voorvaderen, waartoe nog samenwerken, verwachtingen koesteren, een algemeen welzijn bevorderen en voor ogen houden?... Evenzovele 'verzoekingen', evenzovele afwijkingen van de 'rechte weg' - 'slechts één ding is nodig'...33 Dat iedereen als ‘onsterfelijke ziel’ van dezelfde rang als ieder ander is, dat het ‘heil’ van elk individu binnen het grote verband van al het bestaande aanspraak mag maken op een belang met eeuwigheidswaarde, dat kleine kniesoren en driekwart-krankzinnigen zich mogen inbeelden dat om hunnentwil voortdurend de wetten der natuur doorbroken worden – een dergelijke verheffing van allerlei soort zelfzucht tot in het oneindige, tot in het schaamteloze kan men niet met genoeg verachting brandmerken. [...]
2. Aristoteles, Poëtica 1449 b 27-28; 1453 b ivv.
6. Renan, Ernst (1823-1892): historicus en filosoof, schrijver van het veelgelezen Vie de Jesus (1863)
33. Lucas 10:42
Uit De Antichrist
Friedrich Nietzsche