van lente naar winter
Daniel 1, 25
Pas na de dood van Fox drongen de elementen van aporie in hun volle omvang tot me door. Het weer veranderde snel en het zou niet lang meer duren voordat de warmte bezit nam van Zuid-Spanje; op het strand in de buurt van de villa begonnen naakte jonge meisjes te zonnebaden, in het weekend vooral, en ik voelde hoe er zwak en slap weer iets begon op te borrelen, niet eens een echt verlangen – maar een spoor, een spook van wat een verlangen had kunnen zijn. Niet alleen was seksueel genot in raffinement en hevigheid superieur aan alle andere mogelijke vormen van genot die het leven kende; niet alleen bracht het als enige vorm van genot geen enkele schade toe aan het organisme en hielp het dat juist op het toppunt van vitaliteit en kracht te houden; het wás gewoon de enige vorm van genot, het enige doel van het menselijk bestaan, en alle andere vormen – of ze nu verband hielden met overvloedig eten, tabak, drank of drugs – waren niets anders dan lachwekkende, wanhopige compensaties, minizelfmoorden die niet de moed hadden om hun ware naam te zeggen, pogingen om een lichaam dat geen toegang tot de enige vorm van genot meer had nog sneller de vernietiging in te helpen. Om kort te gaan, het menselijk leven zat afschuwelijk eenvoudig in elkaar, en zo’n twintig jaar lang had ik in mijn scenario’s en mijn sketches steeds om een werkelijkheid geen gedraaid die ik in een paar zinnen had kunnen verwoorden. De jeugd was de tijd van het geluk, het enige seizoen ervan; door een lui, zorgeloos leventje te leiden, deels in beslag genomen door een weinige tijd kostende studie, konden jongeren zich helemaal overgeven aan de vrije jubeling van hun lichaam. Ze konden spelen, dansen, vrijen, op alle mogelijke manieren genieten. Ze konden vroeg in de ochtend een feest verlaten in gezelschap van seksuele partners van hun keuze en de droefgeestige stoet werknemers op weg naar hun werk gadeslaan. Ze waren het zout der aarde, en ze hadden alles, mochten alles, konden alles. Later wanneer ze ze een gezin hadden gesticht en de wereld van de volwassenen hadden betreden, zouden ze de zorgen, het zwoegen, de verantwoordelijkheden, de moeilijkheden van het bestaan leren kennen; ze zouden belasting moeten betalen, zich moeten onderwerpen aan administratieve formaliteiten, en ondertussen machteloos en beschaamd getuige zijn van de onherroepelijke, eerst langzame, dan steeds snellere aftakeling van hun lichaam; ze zouden kinderen moeten onderhouden, dat vooral, als doodsvijanden in hun eigen huis, ze zouden ze moeten vertroetelen, voeden, zich zorgen moeten maken als ze ziek waren, de middelen moeten opbrengen voor hun onderwijs en hun ontspanning, en in tegenstelling tot wat bij dieren het geval is zou dat niet één seizoen duren, ze zouden tot het einde toe de slaven van hun eigen kroost blijven, de tijd van vreugde was voor hen definitief voorbij, ze zouden moeten blijven zwoegen tot het einde, met steeds meer verdriet en gezondheidsproblemen, totdat ze nergens meer toe dienden en definitief werden afgedankt, als lastige nutteloze oudjes. Hun kinderen zouden hun voor dat alles absoluut niet dankbaar zijn, integendeel hun inspanningen, hoe verwoed ook, zouden nooit voldoende worden geacht, en tot het einde toe, domwag vanwege het feit dat ze ouders waren, zouden ze schuldig worden bevonden. Uit dat troosteloze, van schaamte vervulde leven zou elke vreugde medogenloos worden gebannen. Zodra ze toenadering zouden willen zoeken tot het lichaam van jongeren, zouden ze worden verjaagd, verstoten, belachelijk gemaakt, met schande overladen, en tegenwoordig steeds vaker gevangengezet. Het fysieke lichaam van de jongeren, het enige beheerlijke bezit dat de wereld ooit heeft kunnen voortbrengen, was exclusief voorbehouden aan de jongeren zelf, de ouderen restte niets anders dan te werken en te lijden. Dat was de ware betekenis van de solidariteit tussen de generaties: die bestond in een onvervalste holocaust van iedere generatie ten gunste van de generatie die haar moest vervangen, een wrede aanhoudende holocaust, die geen enkele verlichting met zich meebracht, geen enkele troost, geen enkele materiële of emotionele compensatie.
Uit Mogelijkheid van een eiland p. 337-339
Michel Houellebecq

0 Comments:
Post a Comment
Links to this post:
Create a Link
<< Home